Ivan Toergenjev, Mensje van Keulen, Yoko Ogawa, Josiane Forster-Huys, Charlotte Mutsaers, David Foster Wallace, Pauline Slot en Simon Vestdijk
Wat gebeurt er als je tijd hebt om eens ‘echt’ te lezen?
Omdat ik de podcast met vakantie is, is er tijd om in alle vrijheid te lezen. Ik had me voor de kerstvakantie voorgenomen om de romans en verhalen van Ivan Toergenjev tot me te nemen. Twee dikke delen, iets meer dan drie weken, moest kunnen. Is niet gelukt. De weg naar de hel is geplaveid met goede voornemens en mijn leesgedrag beweegt zich meer langs zijwegen dan via de Autobahn.
Ik begon lekker bij het begin, met Roedin. Een mooie roman, over een wat vreemde man (Roedin) die een kleine dorpsgemeenschap binnendringt en in de war schopt. Het loopt niet echt goed met hem af; dat is wel mooi. Ik vond de roman mooi, maar niet geweldig. Ik had goede, tot zeer goede herinneringen aan Vaders en zonen en Eerste liefde, maar Roedin kwam niet in de buurt. Verder, met Een adelsnest. Dat is ook weer een mooi-realistisch ding, vol vreemde snuiters en (on)uitgesproken liefde.
Halverwege dat boek bezocht ik een vriend, die de dagboeken van Mensje van Keulen aan het lezen was. Ik had de eerste twee delen ooit gelezen toen ik nog in Praag woonde. De eerste drie delen staan op KOBO en ik downloadde ze. Daarna las ik ze, en ik amuseerde me kostelijk, al kan ik niet zeggen dat ik ze heel goed geschreven vind. Ze geven vooral een goed beeld van het Amsterdamse literaire leven vanaf het midden van de jaren zeventig tot in de jaren tachtig. Een mannenwereld, waarin Van Keulen het schip recht moet zien te houden.
De meest tragikomische passages zijn die over Hans Warren (een auteur die echt drie keer zo veel had kunnen schrijven als hij niet zo ingewikkeld had geleefd) en die over de manier waarop Cees Nooteboom haar het hof maakt; met veel restaurants, flashy bijeenkomsten met Hugo Claus en andere beroemdheden; en hampelmannachtige pogingen om tot hotelerotiek te komen. Cees Nooteboom als wannabe-minnaar, het heeft iets koddigs.
Daarna zag ik op Instagram twee boekentips die me intrigeerden. Eén van Kraak de canon - een account dat zich bezighoudt met vaak vergeten of in de vergetelheid geraakte werk van vrouwelijke auteurs. Ik sloeg aan op de beschrijving van Het sabbatjaar: ‘(…) is haar laatste boek en het eerste wat ik van haar las. Het deed me denken aan het werk van Brigitte Raskin en aan 'My year of rest and relaxation' van Ottessa Moshfegh.’
En ergens anders werd ik gewezen op Hotel Iris van de Japanse auteur Yoko Ogawa. De samenvatting van het verhaal sprak me om autobiografische redenen aan:
‘Wat denk je wel, idioot? Niet te geloven, ouwe viezerik!’ De zeventienjarige Mari werkt met tegenzin als receptioniste in het hotel van haar strenge moeder. Ze hoort een vrouw schreeuwen in kamer 202. Niet veel later stormt de vrouw woedend naar buiten, gevolgd door een ijzig kalme heer. ‘Hou je kop, hoer,’ zegt hij, stil maar gedecideerd, majesteitelijk bijna. Terwijl de andere hotelgasten geschokt toekijken, de vrouw wegspurt en Mari’s moe der de situatie probeert te sussen, voelt Mari zich op een vreemde manier aangetrokken tot deze veel oudere man. Wie is hij, en wat deed hij in de hotelkamer? Daarna achtervolgt ze hem heimelijk. De man blijkt een trotse maar weinig succesvolle vertaler, die woont op een eiland vlak bij het hotel. In het stadje gaan geruchten dat hij zijn vrouw heeft ver moord, maar Mari raakt verslaafd aan de opwinding die ze voelt. Meer en meer ontworstelt ze zich aan haar moeder en geeft ze zich over aan de wensen van de vertaler. Hij wijdt haar in in een duister rijk van zowel pijn als plezier. Hotel Iris is een razend spannende roman over de soms gewelddadige manier waarop we liefhebben, en geeft een diep inzicht in de aantrekkingskracht van gevaar.
Ik las de twee boeken simultaan. Het sabbatjaar is misschien ‘keuriger’ dan Hotel Iris, ik vond het wel een intens boek; onbedoeld literair was het; ik had nog nooit van de auteur Josiane Forster-Huys gehoord, en ik ben het wel met kraak.de.canon eens dat dit boek onterecht is weggezakt, samen met de auteur. Yoko Ogawa is wel beroemd, wereldberoemd zelfs. Haar boek is ‘heftig’, ‘gruwelijk’ desgewenst, maar ik vond het vooral een lieve vertelling. Het boek ‘gaat’ over liefde, onverklaarbare liefde, liefde die aan zichzelf moet gehoorzamen. En het loopt vreselijk af, tragisch…
Het deed me een beetje denken aan een perverse versie van Strange weather in Tokyo van Hiromi Kawakami. Dat boek is minder heftig, maar heeft het tragische, diep-ontroerende einde gemeen met Hotel Iris. Ondertussen lag de dikke pil van Toergenjev me verwijtend aan te kijken. Ik las door. Ik heb me nu eenmaal voorgenomen klassiekers te lezen en als Toergenjev geen klassiekers heeft geschreven, weet ik het ook niet meer.
Ondertussen dient het nieuwe podcastjaar zich aan. Op 17 januari is de eerste opname en dan bespreken we Een jaar met Simon van Pauline Slot en De zwarte ruiter van Simon Vestdijk. Die boeken heb ik nu onderhanden, net als de nieuwe roman van Charlotte Mutsaers, Moet dwalen. En in februari komt Eindeloos vertier van David Foster Wallace, een romansteen van ruim duizend bladzijden. Toergenjev begint zacht te kreunen in zijn grafkuil.






Ik ben me op dit moment een beetje aan het verdiepen in Toergenev, omdat ik een paper schrijf over het Russische nihilisme in de jaren 1860. Vaders en Zonen is daarin natuurlijk een sleutelroman, net als Demonen van Dostojevski. Bijzonder boeiend wel om te leren hoe de literatuur en de politiek op dat moment in Rusland heel erg nauw met elkaar verweven waren.