Joost Zwagerman: een persoonlijke kwestie
eerste indrukken het ontvangen en gedeeltelijk lezen van Zwaag, de biografie van Joost Zwagerman
Gisteren ontving ik Zwaag, De zeven levens van Joost Zwagerman. Het komt niet vaak voor dat ik geëmotioneerd ben bij het ontvangen van een boek. Deze keer was ik dat wel. Op de een of andere manier is Joost Zwagerman voor mij — en misschien voor mijn hele generatie — een persoonlijke kwestie. Niet altijd een fijne persoonlijke kwestie, maar niettemin: een persoonlijke kwestie.
Ik begon meteen te lezen, in hoofdstuk II, ‘Schrijver’. Een feest van herkenning, kun je wel zeggen. Al die namen en al die mensen, van wie er trouwens flink wat al zijn overleden. De Verloren Tijd/Perdu, De Held, De Maximalen, De Arbeiderspers onder Theo Sontrop en Martin Ros, al die cafés en plekken in Amsterdam, al die verhitte en inmiddels volledig uitgedoofde gesprekken en polemieken over literatuur!
Inmiddels ben ik zestig en al zo oud dat ik me nog precies herinner wat voor indruk Joost Zwagerman maakte toen hij de literatuur instapte, of instormde. Het was in 1986 en zijn debuutroman De houdgreep was in de kringen waarin ik verkeerde (en ver daarbuiten) een sensatie. Iemand die schreef over zoiets onbeschrijflijk hips als videoclips, het was nooit vertoond.
Samen met een andere debutant, Wessel te Gussinklo, bezocht Zwagerman dat jaar de stad Nijmegen, waar ik studeerde. Ze traden op in de Valkhofkapel. Te Gussinklo was de klassieke debutant, zou je kunnen zeggen. Hij mompelde voor zich uit en sprak in een hoge sleutel over literatuur met een L. Zwagerman was fladderig, nerveus, een beetje opgefokt, waarschijnlijk onder invloed van Bolivian marching powder, hij kon erg mooi roken en praatte alsof de duivel hem op de hielen zat.
Als ik eerlijk ben: ik heb Zwagerman een aantal jaren behoorlijk bewonderd. Niet om zijn boeken. Ik vond zijn manier van doen nogal verfrissend, zijn stijl (losjes en toch stellig formulerend) een verademing na het gekruk en gefriemel van Nicolaas Matsier of Dirk Ayelt Kooiman of hoe al die academisch-achtige auteurs toen heetten. Hij leek er oprecht in te geloven, in de literatuur. In een nieuwe literatuur zelfs. Maar praatjes maken geen oeuvre en al snel na het veelbelovende begin werd Zwagerman, met alle respect, een oude zeur.
Hij leed zelf onder de vraag: ‘Waar wil ik over schrijven, wat is mijn thema?’ Dat is fnuikend voor een romanauteur, die dan ook snel uitdoofde. In de plaats daarvan kwam een — ja, wat? Essayist? Bekende Nederlander? Chroniqueur van zijn tijd? Zwampaal? Hij liep vast in zijn eigen schrijverschap. Achterdocht en een toch wel misplaatst grootheidsbesef deden de rest. Zwagerman zat vast en kwam niet meer los.
Zwaag is vooral een boek over wat had kunnen zijn en wat er niet is. Hij was lange tijd de bekendste auteur van onze generatie. Toch is het niet helemaal duidelijk wat zijn oeuvre nou precies behelst. Gimmick? Die gedichten? Die essays, die toch al te vaak berustten op een al te handig geformuleerde hervertelling van bekende feiten? Soms lijkt het of hij vooral in zijn persoonlijke leven tekeer ging, terwijl zijn werk almaar braver en liever werd. Tot hij zelfs over God ging dichten.
Natuurlijk moet ik drie kwart van het boek nog lezen. Voor een oordeel is het te vroeg. Maar ik weet nu al dat dit boek nog even meegaat; dat ik er, om met een cliché te eindigen, wel een tijd mee bezig ben.


