Een paar weken geleden luisterde ik voor het eerst naar Volksverheffing, de podcast van (podcast)koppel Heleen Debruyne en Frank D’hanis. Ik was meteen verslaafd aan de manier waarop ze samen boeken bespreken. Heel grondig en met humor. De twee houden overduidelijk van teksten (wat je niet van alle literaire podcasters of critici kunt zeggen) en houden er soms ook van om elkaar een beetje af te kammen. Dat ze bijna drie kwartier kunnen praten over één boek, zonder dat je ooit de neiging krijgt om ze weg te klikken, het is knap. De nieuwe aflevering gaat over The story of your life van Kathryn Jezer-Morton. Maar de andere 15 afleveringen zijn ook de moeite. Ik heb ze inmiddels gebinged, wegens vakantie.
Tijdens die vakantie las ik de delen vier en vijf van De Moordclub (op donderdag): De laatste duivel die sterft en Het onmogelijke fortuin. Ik wilde eigenlijk eens Woolf, Proust of Mann te lijf gaan, maar dat kwam er niet van. Waarom zijn de boeken van Osman zo goed, of in elk geval: min of meer verslavend? Collega-Substack-auteur Matthijs van Nieuwkerk noteerde na lezing van Osmans boeken:
Maar slimme Osman schrijft ook geestige whodunnits. Licht als een veertje. Cosy crime. De moorden worden, na talloze haarspeldbochten, door een groep bejaarde speurneuzen opgelost. (…) Formidabele, zorgeloze lectuur. Zoals ooit de Maigretjes van Simenon. En ik ben de enige niet. Aan de kassa rijgt de tv-presentator de feestdagen aan elkaar.
Maar er is, volgens mij, meer. Osman bedient twee soorten lezers. De zorgelozen uit het kamp Van Nieuwkerk, die even gauw een ‘boekkie’ willen lezen. En de mensen zoals ik, die, als er geen genot uit het stilistische vermogen is te halen, prijs stellen op een unieke sfeer in het boek dat ze lezen. Sfeer is niet te vatten en toch, heel soms, aanwezig. Je voelt die na een paar zinnen. Of je voelt hem niet. Dan blijft hij voorgoed weg.
Simenon is inderdaad de meester van die sfeer, en Osman ook. Zijn bejaarden hebben allemaal een eigen karakter en komen allemaal uit een bepaalde klasse. Er is voor iedereen iemand om je mee te identificeren. En altijd is daar Elizabeth, de voormalige spion die zo alwetend en almachtig is, dat je net als zij zou willen zijn. Wat natuurlijk niet kan, nooit zal kunnen.
Wat wel kan, is lichte spijt hebben. Over een bespreking bijvoorbeeld. In aflevering 221 bespraken we het debuut van Tom Wouters: In mijn hoofd zwemmen vissen. Wat los, bijvoorbeeld op Facebook of Substack, vermakelijke verhalen zijn, vond ik in één boek toch een beetje te weinig. Overdaad schaadt, soms. Ik liet me tijdens de bespreking ook lekker meeslepen door Hans, die het boek in een paar zinnen de grond in timmerde.
Enfin. Berouw komt na de zonde, ik weet het. Na mijn bespreking las ik een paar mooie verhalen van Wouters en elke keer voel ik dan de spijt door mijn ruggengraat trekken. Wat heb ik gedaan? Waarom? Er zijn auteurs die het meer verdienen, et cetera en zo voort. Ik ben niet altijd een dappere criticus en je zult zien dat ik over een jaar of twintig, als Wouters inmiddels een lichtend baken is in de Vlaamse en Nederlandstalige literatuur, nog steeds met die spijt in mijn lijf zit.
Judith Herzberg is uit 1934, dus die heeft haar debuut al ruim achter de rug. Dit jaar verscheen een nieuwe bundel: Opstal. Via het onvolprezen Laurens Jz. Coster (elke dag een gedicht via e-mail, sinds jaar en dag verzorgd door Raymond Noë, abonneer u hier) las ik twee gedichten uit die bundel. Tijdens het lezen voelde ik dezelfde ergernis die ik altijd voel tijdens het lezen van Herzbergs werk. Dit is te gemakkelijk.
Haar gedichten werken altijd naar een humanistische frappe toe (‘jij past in mijn hoofd, bent / in mijn hoofd overgekookt’) en maken nog vaker gebruik van tegenstellingen (Karel de Grote past niet in mijn hoofd, jij wel) die zelfs de meest luie lezer over de streep moeten trekken. Ja zeg, wie zoiets kan denken en schrijven, bezit ongetwijfeld een diepe ziel.
En Herzberg is oud, dat doet het goed op de Nacht van de Poëzie. Nu Remco Campert is weggevallen als knuffelbejaarde, vervult Herzberg die rol. Kijk, ze kan nog lopen. Hela, zelfs praten gaat nog! En hoor eens wat voor een leuke woorden uit die gerimpelde mond komen! Echt mooi. En diepzinnig. En wijs. En lief. Wat is zij toch een grote, oude, fijne dichter.




Dat hoefde je niet te doen, maar ik ben wel blij om het te lezen.
'Kijk, ze kan nog lopen. Hela, zelfs praten gaat nog! En hoor eens wat voor een leuke woorden uit die gerimpelde mond komen!'
En dit vind ik weer te gemakkelijk